Rasstandaard

FCI standard no 235

Oorsprong: Duitsland.

Gebruik :
Waak- en verdedigingshond.

Datum officiële publicatiestandaard
08.10.2012

Vertaling : J.A.C. Jansen

FCI-indeling: groep 2.
Pinschers, Schnauzers,
Molossers en Zwitserse Sennenhonden.
Sectie: 2 zonder werkproef.

 

1 –  neus
2 –  neusbrug
3 –  lippen
4 –  stop
5 –  bakken
6 –  schedel
7 –  keel
8 –  oor
9 –  hals
10 – nek
11 – schoft
12 – rug
13 – croupe
14 – bekken
15 – staartaanzet
16 – staart
17 – voorborst
18 – borstkas
19 – borstbeen
20 – schouderblad
21 – opperarm
22 – elleboog
23 – onderarm
24 – pols
25 – middenvoorvoet
26 – tenen
27 – geslachtsdeel
28 – dijbeen
29 – knieschijf
30 – onderbeen
31 – springbeenknobbel
32 – spronggewricht
33 – middenachtervoet

Geschiedenis

De oude bullebijters
Als voorloper van de huidige Duitse dog worden de oude bulle-bijters beschouwd en de ” Hatz en Sauruden “, die een kruising waren van de sterke mastiff van het engelse type en een snelle wendbare windhond. Onder een dog verstond men een grote sterke hond, die niet tot een bepaald ras behoorde.
Later werden verschillende typen van deze hond, variërend in grootte en kleur, Ulmer dog, Engelse dog, Deense dog,Hatzrude, Saupacker en grote dog genoemd.

Een zevenkoppig committee
In 1878 werd in Berlijn door een zevenkoppig committee, bestaande uit enthousiaste fokkers en keurmeesters, onder voorzitterschap van Dr. Bodinus, het besluit genomen alle bovengenoemde variëteiten de naam Duitse dog te geven. Daarmee werd de grondslag gelegd voor een zelfstandig Duits hondenras.
In 1880 werd ter gelegenheid van een tentoonstelling in Berlijn voor het eerst een doggenstandaard vastgelegd, die sinds 1888 door de D.D.C. 1888 e.v. bewaakt wordt en in de loop der jaren verschillende malen werd veranderd.

De huidige formulering is volgens FCI-voorschrift.


Algemene verschijning

Edele verschijning
De duitse dog verenigt in zijn gehele edele
verschijning, trots, kracht en elegantie met een krachtige en solide
lichaamsbouw. Door zijn substantie, gepaard met adel en harmonische
verschijning, zijn goed geproportioneerde gestalte en zijn bijzonder
uitdrukkingsvolle hoofd komt hij bij de toeschouwer over als een edel standbeeld.
Hij is niet lomp of te elegant. Het geslachtstype is duidelijk zichtbaar. Hij is de
apollo onder de hondenrassen.

Belangrijke verhoudingen:
Zijn lichaam toont bijna vierkant, dit geldt in het bijzonder voor de reuen.
De lichaamslengte( van borstbeenpunt tot zitbeen) mag de schofthoogte bij reuen met niet meer dan 5% en bij teven met niet meer dan 10% overschrijden.
De schofthoogte bedraagt bij reuen min. 80 cm en bij teven min. 72 cm.

Karakter:
Vriendelijk, liefdevol en aanhankelijk tegenover zijn bezitters,
tegenover vreemden.mag hij terughoudend zijn. Hij behoort een zelfverzekerde,
onverschrokken, makkelijk te hanteren en leergierige begeleidings- en
familiehond te zijn met een hoge prikkeldrempel en zonder enig spoor van
agressiviteit.
——————————————————————————–

Het Hoofd

Het hoofd:

In harmonie met de totale verschijning, langgestrekt, smal, markant,
maar niet wigvormig, uitdrukkingsvol, mooi gebeiteld ( vooral het gedeelte onder
de ogen); Goed ontwikkelde wenkbrauwbogen, echter zonder vooruit te steken.
De afstand van de neuspunt tot de stop en van de stop tot de zwak ontwikkelde
achterhoofdsknobbel moet zo mogelijk gelijk zijn. De bovenkant van de neusrug
en bovenkant van de schedel moeten parallel lopen. Van voren gezien moet het
hoofd smal lijken, met een zo breed mogelijke neusrug.
Schedel: De wenkbrauwen goed ontwikkeld, echter zonder naar voren te komen.
Stop duidelijk aanwezig.

Aangezicht

Neus:
Goed ontwikkeld, meer breed dan rond en met grote openingen. De neus
moet zwart zijn, behalve bij zwart-witte doggen, waarbij een zwarte neus wel
gewenst is ,maar waarbij een gevlekte of vleeskleurige neus wordt toegestaan.Bij
blauwe doggen is de neuskleur antraciet (verdunningsfactor zwart)
Voorsnuit:

Moet diep en zo rechthoekig mogelijk zijn. niet spits toelopend of te
smal of met te ver overhangende lippen(fladderlippen). Duidelijke liphoeking en
donker gepigmenteerde lippen. Bij zwart-wit gevlekte doggen zijn onvolledig
gepigmenteerde of vleeskleurige lippen toegestaan.De neusrug mag nooit hol,bol
of naar voren aflopend zijn.

Kaak/Gebit/Tanden:

Goed ontwikkelde brede kaak. Krachtig, gezond en volledig
schaargebit (42 elementen). Het ontbreken van de P1 in de onderkaak wordt
toegestaan. Alle afwijkingen van het volledige schaargebit zijn absoluut
ongewenst. Wangen: De jukspieren mogen licht zichtbaar zijn, nooit te sterk
ontwikkeld.

Ogen:

Middelgroot, met levendige, intelligente en vriendelijke uitdrukking, zo
donker mogelijk, amandelvormig met goed aangesloten oogleden, Niet te ver uit
elkaar staand en geen spleetogen. Lichte priemende en ambergele ogen zijn
ongewenst. Bij blauwe doggen zijn iets lichtere ogen toegestaan. Bij zwart-wit
gevlekte doggen zijn lichte of verschillend gekleurde ogen toegestaan.

Oren:

Van nature hangend, hoog aangezet, middelgroot en de voorste oorranden
moeten aan de kaak aansluiten. Niet te hoog of te laag aangezet en niet
zijdelings afstaand of helemaal vlak tegen het hoofd hangend.

Hals:

Lang, droog en gespierd. Niet kort of dik. Duidelijke aanzet en naar het
hoofd toe licht versmallend met mooi gebogen halslijn. Rechtop gedragen, daarbij
iets naar voren neigend, maar geen hertenhals. Te veel losse keelhuid of
wammen zijn ongewenst.

Lichaam
Schoft:

Het hoogste punt van het krachtige lichaam. Het wordt gevormd door de
schouderbladranden,die boven de doornuitsteeksels uitkomen.

Rug:

Kort en strak, in vrijwel rechte lijn licht naar achteren aflopend, in geen
geval naar achteren oplopend of te lang.

De lendenen:

licht gewelfd, breed en
krachtig bespierd.

Croupe:

Breed, sterk bespierd en van kruisbeen tot staartaanzet licht aflopend
en vloeiend overgaand in de staartaanzet. Niet sterk afvallend of vlak liggend.

Borstkas:

Reikend tot aan de ellebogen, goed gewelfde en ver doorlopende
ribben, borst van goede breedte en diepte met een duidelijke voorborst, zonder
dat het borstbeen te ver uitsteekt. Geen vlakke of tonvormige ribben.

Buiklijn:

Buik naar achteren goed opgetrokken en met de onderkant van de
borstkas een mooi oplopende lijn vormend. Ongewenst is een te weinig
opgetrokken buiklijn of onvoldoende teruggetrokken melkklieren.

Staart:

Tot aan het spronggewricht reikend, niet te lang of te kort. Hoog en breed
aangezet, noch te hoog of te laag aangezet en niet te dik. naar het einde
gelijkmatig dunner wordend. In ruststand op een natuurlijke manier hangend, bij
opwinding of tijdens gang licht als een sabel gedragen, maar niet haakvormig of
gekruld gedragen en niet wezenlijk boven de ruglijn uitkomend of zijdelings
afdraaiend. Een borstelstaart is ongewenst.

Ledematen
Voorhand:
Algemeen: Goed gehoekt met sterk spier- en beenderstelsel.
Schouder: Krachtig bespierd, het schouderblad lang en schuin liggend, met het
opperarmbeen een hoek van 100 tot 110 graden vormend.
Opperarm: Krachtig en gespierd, goed aansluitend, moet iets langer zijn dan het
schouderblad.
Ellebogen: Naar buiten noch naar binnen draaiend.
Onderarm: Krachtig, gespierd, van voren zowel als van opzij volledig recht.
Polsen: Krachtig, stabiel,zich slechts in geringe mate van de onderarm
onderscheidend.
Middenvoorvoet: Krachtig, van voren gezien recht, van opzij gezien enigszins
naar voren gericht.
Voorvoeten: Rond,hoog opgetrokken en goed gesloten tenen ( katvoet). Nagels
kort, sterk en zo donker mogelijk.

Achterhand
Algemeen: Het totale beenwerk is bedekt met sterke spieren, die de croupe,
heupen en bovenbenen breed en rond doen lijken. De krachtige goed gehoekte
achterbenen staan, van achter gezien, in een lijn met de voorpoten.
Dijbeen: Lang,breed en zeer goed bespierd.
Knie: krachtig en bijna loodrecht onder het heupgewricht geplaatst.
Kuit/Scheenbeen: Lang,ongeveer even lang als het dijbeen en goed bespierd.
Spronggewricht: Krachtig, stabiel, naar binnen noch naar buiten draaiend.
Middenachtervoet: Kort, krachtig en bijna loodrecht t.o.v. de bodem staand.
Achtervoeten: Rond, hoog opgetrokken tenen en goed gesloten (
katvoeten). Korte sterke, zo donker mogelijke nagels.

Gangwerk: Harmonieus, soepel en ruim uitgrijpend, licht verend, waarbij de
benen, zowel van voren als van achteren gezien, parallel moeten bewegen. Nooit
te weinig uitgrijpend of telgang.
Huid: Nauw aansluitend, bij eenkleurige doggen goed gepigmenteerd. Bij zwartwit
gevlekte doggen komt de pigmentverdeling vrijwel overeen met de
vlekverdeling.
Vacht:
Beharing: zeer kort en dicht, glad aaneengesloten en glanzend. Niet dof of
stokharig.

Kleur: De duitse dog wordt in drie zelfstandige variëteiten gefokt: geel en
gestroomd, gevlekt en zwart, blauw.
Geel: Licht tot donker goudgeel, zwart masker gewenst. Geen grijs- ,blauw- of
bruinachtig geel , Geen witte aftekeningen.
Gestroomd: Grondkleur licht tot donker goudgeel, met zwarte duidelijk
getekende en zo gelijkmatig mogelijk, evenwijdig aan de ribben lopende strepen.
die niet verbleekt mogen zijn. Zwart masker gewenst. Geen witte aftekeningen.
Zwart-wit gevlekt: Grondkleur zuiver wit, zo mogelijk zonder doorslag van
zwarte haren, met over het gehele lichaam goed verdeelde ongelijkvormige
lakzwarte vlekken. Niet gewenst zijn grijze,blauwe of bruinachtige vlekgedeelten
of blauwgrijze spikkels. Er komen Grijstijgers voor (deze hebben zwarte vlekken
met een overwegend grijze ondergrond), deze zijn niet gewenst, maar worden
niet gediskwalificeerd.
Zwart: lakzwart, witte aftekeningen op borst en poten zijn toegestaan; Tot deze
kleurslag behoren ook de manteldoggen, waarbij het zwart als een mantel het
lichaam bedekt en waarbij de voorsnuit, hals, borst, buik, benen en staartpunt wit
kunnen zijn, en doggen met een hoofdzakelijk witte kleur en grote zwarte delen,
zogenaamde “Platendoggen”. Als fout wordt aangemerkt een gele, bruine of
blauwzwarte kleur.
Blauw: Zuiver staalblauw, witte aftekeningen op borst en poten zijn toegestaan.
Fout is een gele of blauwzwarte kleur.
Grootte:
Schofthoogte: Reuen: tenminste 80 cm bij voorkeur niet boven de 90cm. Teven:
tenminste 72 cm en bij voorkeur niet boven de 84 cm.
——————————————————————————–
Fouten:
Iedere afwijking van de voorgaande punten moet als een fout worden
beschouwd, waarvan de beoordeling in verhouding moet staan tot de ernst van
de afwijking en de invloed ervan op de gezondheid en het welzijn van de hond..
Hoofd: te weinig stop
Voorsnuit: Rollippen (de onderlip ligt tussen de snijtanden van de boven en
onderkaak).
Kaak/Tanden: onregelmatige stand van de snijtanden, met behoud van de
normale sluiting van het gebit; te kleine gebitselementen, gedeeltelijk tanggebit.
Ogen: Uitpuilende of te diep liggende ogen.
Schouders: Losse of beladen schouder, steil liggend schouderblad.
Ellebogen: Losse ellebogen.
Onderarm: Gebogen , verdikking boven de pols.
Pols: Verdikt, doorgezakt of overkoot.
Achterhand: teveel of te weinig hoeking, koehakkig, nauw of o-benige stand.
Voeten: vlak, gespreid, lang, hubertusklauwen.
Zware fouten:
Karakter: Gebrek aan zelfverzekerdheid, schuw, nerveus.
Hoofd: Appelhoofd, te sterk ontwikkelde wangspieren.
Ogen: Oogleden niet goed aangesloten, te rood gekleurd bindvlies.
Rug: Zadelrug of karperrug.
Croupe: te sterk afvallend.
Staart: kapotgeslagen, aan het eind verdikte of gecoupeerde start.
Gangwerk: voortdurende telgang.
Diskwalificerende fouten:
Agressieve of angstige honden.
Honden,die een duidelijke fysische of gedragsafwijking vertonen moeten worden
gediskwalificeerd.
Gedrag: Angstbijten, lage prikkeldrempel.
Neus: Leverkleurige neus of gespleten neus.
Ogen: Entropion, Ectropion, Macroblepharon. Verschillend gekleurde ogen bij
eenkleurige doggen, waterig blauwe ogen.
Kaak/Gebit: Ondervoorbijter, bovenvoorbijter, kruisgebit, tanggebit, ontbrekende
elementen m.u.v. de P1’s in de onderkaak.
Staart: Knikstaart.
Kleur: Geel/Gestroomd: Zilverblauw of isabelkleurig, wit voorhoofd, witte halsring,
witte voeten of “sokjes”, witte staartpunt.
Zwart-Wit: Wit zonder enig zwart(Albino), dove doggen. Zogenaamde
Porseleintijgers (deze hebben overwegend, blauwe,gele of gestroomde vlekken).
Blauw: Wit voorhoofd, witte halsring, witte “sokjes” of een witte staartpunt.
Grootte: Onder de minimumhoogte.
N.B. Reuen moeten twee volledig ingedaalde en normaal ontwikkelde testikels
hebben.
Voor de fokkerij mogen uitsluitend funktioneel en klinisch gezonde, rastypische
honden worden gebruikt.

 

 

 

Comments are closed.